De pitch: hoe prijs je je verhaal aan bij uitgevers en lezers? (Deel 1)


“Goh, waar gaat je boek eigenlijk over?” Veel schrijvers staan vaak een beetje met de mond vol tanden wanneer deze vraag wordt gesteld. Het lijkt zo makkelijk om kort maar krachtig te vertellen waar je nou precies al die maanden aan hebt gewerkt. Je weet immers precies waar het over gaat, je bent er dag en nacht mee bezig! En toch komt er na zo’n vraag een ongemakkelijke, stotterende , onsamenhangende brei van woorden uit. Een gemiste kans. Want als je met scherpe speerpunten, prikkelende zinnen en een zelfverzekerde stem en houding haarfijn kunt overbrengen wat jouw verhaal uniek maakt, kun je hiermee een potentiële lezer strikken. En niet alleen lezers. Een uitgever wil graag precies weten wat voor soort verhaal je te bieden hebt, en dat moet je kort en duidelijk kunnen vertellen. Ze hebben immers niet de hele dag de tijd. Uitgeverij Zilverspoor/Zilverbron (die mij ook het grootste gedeelte van deze tips hebben gegeven, dus ze verdienen een hoop credits!) nodigt bijvoorbeeld schrijvers uit hun verhaal te komen pitchen bij hun stand op beurzen. Een ideale manier om “binnen” te komen –mits je pitch ze raakt tot in het diepst van hun hart. Een wereldschokkende pitch, een pitch waarbij hun monden open vallen en een straal zonlicht vanuit de wolken op je valt. Wat is het geheim?

Allereerst: wat is een pitch?
Een pitch is een heel kort praatje waarin je vertelt waar je verhaal over gaat, wat je genre/doelgroep/doel is, sfeer en/of thema geeft, en in het algemeen vertelt wat jouw verhaal uniek maakt en waarom die ander het zou moeten lezen. Een pitch is bedoeld om te prikkelen. Bovendien kom je een stuk professioneler en enthousiaster over met een goed uitgedachte pitch, in plaats van een zwakke “Ehm, tja, het is een fantasyverhaal en het gaat over een meisje die magische krachten heeft, zeg maar.” Je bedenkt een pitch van tevoren. Dus pak pen en papier. Schrijf verschillende versies op en probeer ze uit voor de spiegel. Het is niet de bedoeling dat je een pitch voorleest. Vertel het alsof het de eerste keer is dat je dit vertelt, alsof je het helemaal niet van tevoren hebt uitgeschreven. Oefen je pitch. Daarover straks meer. Mijn lieve vrienden van Zilverspoor/Zilverbron raadden me aan twee pitches te maken: -de korte pitch is drie of vier zinnen. Je gebruikt deze om te prikkelen en te peilen of er genoeg interesse is. Merk je dat je lezer/uitgever/boekhandel/producent/moeder/hond/ wie dan ook al na deze drie zinnen niet geïnteresseerd is, dan heeft het ook geen zin om je lange pitch af te ratelen. Je zult ze toch niet meer overtuigen. De wereld is hard en onverschillig. -de lange pitch is maximaal één minuut. Als je langer dan één minuut aan het woord bent, verslapt de aandacht. Als je na je lange pitch merkt dat de ander daadwerkelijk geïnteresseerd is, kun je verder gaan: stel vragen (Wat vindt u? Heeft u nog vragen?) of laat ze een stukje lezen.

Wat hoort er in een pitch?
1. Sfeerbeeld. Is de sfeer te vergelijken met een bepaalde tijd in de geschiedenis, of misschien een (combinatie van) een ander boek of film? Associatie is een heel krachtig wapen, maar je moet ermee oppassen. Daarover later meer.

2. Pak een paar punten die de lezer moet weten over jouw wereld, setting en/of situatie, specifiek voor jouw verhaal. Zoek naar het unieke! Niets is vervelender dan een potentiële lezer of uitgever die denkt “hmm, dit ken ik al.”

3. Beperk je tot de hoofdpersoon. Meerdere hoofdpersonen? Kies de belangrijkste. Meerdere hoofdpersonen de belangrijkste? Vooruit dan, eigenwijze schrijver, dan behandel je ze allemaal, maar bedenk je dat je dan voor iedere hoofdpersoon wat minder tijd hebt.

4. Vertel probleem/queeste/droom van de hoofdpersoon.

5. Daarna het punt waarop het mis gaat. Wat is het conflict? Hier worden de meeste lezers pas echt geïnteresseerd.

De volgorde van de hierboven genoemde punten maakt niets uit. Speel er lekker mee! Veel plezier, het is leuk! Oefen vol vuur voor de spiegel en negeer de blikken van je huisgenoten. Vertel je hoe het afloopt? Dat ligt eraan welk doel je hebt met de pitch. Pitch je voor lezers en wil je hen prikkelen, overhalen je verhaal te lezen? Dan verklap je de clou natuurlijk niet! Pas op, je kunt gemakkelijk per ongeluk de clou verklappen. Echt waar. Lezers zijn slimmer dan je denkt, ze kunnen vaak al het einde raden als je een te duidelijke hint in je pitch hebt zitten. Test je pitch zonodig bij familie en vrienden. Pitch je voor een uitgever met het doel dat de uitgever je manuscript aanneemt? Dan is het einde vertellen juist wél aan te raden. De uitgever wil immers weten of het boek zal verkopen. Daarvoor willen ze een goed totaalbeeld hebben van het verhaal –dus ook van het einde.

Advertenties

Sneltip: o wee de Letterlijke Lezer!

Hij bestaat. Echt waar. De Letterlijke Lezer. Deze lezer vat vrijwel alles wat je schrijft letterlijk op. Hij kan er niets aan doen. Het is een vloek.

Kijk eens naar deze pareltjes van zinnen (credits gaan naar Zilverspoor/Zilverbron voor het verzamelen hiervan):

  • “Met een van pijn vertrokken gezicht wreef ze over haar voorhoofd.” Wat leest de Letterlijke Lezer: wow. Heftig. Ze trekt dus eerst een gezicht van iemand af en begint daarmee als een soort handdoek over haar eigen voorhoofd te wrijven!
  •  “Ze schreed gracieus door de deur.” Wat leest de Letterlijke Lezer: deze vrouw heeft duidelijk magische krachten, aangezien ze dwars door hout heen kan lopen (vooral in fantasy zou je hiermee de Letterlijke Lezer echt een verkeerd beeld kunnen geven. In fantasy zouden dit soort dingen namelijk wel eens kunnen).
  • “Haar ogen flitsten naar een punt achter hem.” Letterlijke Lezer ziet oogballen door de kamer vliegen. “Hij liet zijn ogen op haar rusten.” Letterlijke Lezer ziet oogballen op iemands hoofd liggen. “Zijn ogen volgden haar.” Letterlijke Lezer ziet oogbollen achter haar aan rollen. Interessant. Wat wél kan is “Hij rolde met zijn ogen” of “zijn ogen schoten vuur,” aangezien dit vaste uitdrukkingen zijn.

De Letterlijke Lezer is geen grappig verzinsel dat ik hier even opvoer. Ik heb zelf met ze gesproken. Ja, veel mensen zullen over deze dingen heen lezen, maar sommigen ook niet. En als we ook dat percentage van ons lezerspubliek een goede leeservaring willen geven, is het een kleine moeite om daar rekening mee te houden. “Met een van pijn vertrokken gezicht” wordt “Ze vertrok haar gezicht”, “deur” wordt “deuropening” en alle rondvliegende ogen worden gewoon “blik” of “hij keek naar…” of wat voor synoniemen je ook kunt bedenken.

PS. Nu je één keer hebt gehoord over die ogen die overal heen stuiteren, ga je erop letten… de volgende keer dat je zoiets leest in een verhaal, zie jij ze ook door de kamer vliegen. Letterlijk Lezen is besmettelijk!

Standaard karakters: de love interest

Liefde is mooi. Het is een allesoverheersende kracht die je gek kan maken, pijn kan doen, maar ook veel vreugde kan bezorgen. Het kan je maken of breken – en dat geldt ook voor je karakters, helaas. Het is, zeker in fictie voor wat jongere lezers (young adult, met name), toch vrij gebruikelijk om een love interest erin te schrijven. Of je wel of geen fan bent van elkaar aflebberende karakters laat ik bij jou liggen, maar feit is dat als je ze erin wilt hebben om wat voor reden dan ook, onderstaande dingen handig zijn om mee te nemen voor je romance.

1. Meer dan alleen uiterlijk

Er is zoiets als het stereotype van ‘hersenloze mooie mensen’. En alhoewel het in de praktijk eigenlijk nooit een gerechtvaardigd stereotype is, komt het in verhalen nog wel eens voor. Je hebt een love interest met prachtig donker haar, hemelsblauwe ogen en een lijf dat eruit ziet alsof het zo van de catwalk komt. en… dat is het. Nu kun je je karakter laten zwijmelen over die prachtige ogen van je love interest, die de kleur hebben van een snelstromende rivier nadat er regen is gevallen, en het gezicht dat eruit ziet alsof het gebeeldhouwd is door engelen. Helaas werkt het zo niet. In het echt wil liefde op het eerste gezicht nog wel eens gebeuren – uiterlijk is het eerste dat we zien van iemand, en als dat niet naar onze smaak is, is het ongebruikelijk om dan alsnog verliefd te worden op die persoon in kwestie. Dat laatste, de gevoelens, zijn vaak ook gebaseerd op de persoonlijkheid van diegene, die ons ook aantrekt. Zo werkt het ook bij fictieve karakters. Er mag best een bepaalde aantrekkingskracht zijn op het eerste gezicht op basis van uiterlijk – graag zelfs. Maar er moet meer zijn tussen de twee dan alleen die uiterlijke aantrekkingskracht. Dat voelt veel natuurlijker en geloofwaardiger aan en is dus ook veel realistischer dan alleen dat uiterlijk. Je hoeft je heldin niet iedere keer in katzwijm te laten vallen als haar love interest iets aardigs voor iemand anders doet, maar laat merken dat ze de eigenschap in hem waardeert.

2. De oppervlakkige love interest

Goed, het eerste probleem is opgelost: je hebt je love interest iets uitgebreider uitgedacht en nu is diegene een vriendelijke jongen met een sarcastisch gevoel voor humor en een ding voor kleding naaien. Zijn we dan nu wel klaar? Eh, helaas nog steeds niet. Voordat we ons vol enthousiasme op romantische scènes gaan gooien, is het misschien handig om even over één ding na te denken: stel, de love interest zou niet de love interest zijn, maar gewoon een ander karakter. Zou hij of zij dan nog steeds een goed, op zichzelf staand personage zijn? De oppervlakkige love interest, of zoals TVTropes het noemt, de ‘Satellite Love Interest’, is een karakter dat, op zijn of haar rol als love interest na, niet echt een rol in het verhaal heeft. Zorg er dus voor dat je love interest ook nog op zichzelf staat – hij of zij speelt ook nog een belangrijke rol in de rebellie, en hangt in de tussentijd ook met de rest van de groep hoofdpersonen rond – ook als de held in kwestie er niet is. Dit is iets wat voor ieder karakter zou moeten gelden, maar zeker bij love interests is het iets wat nog benadrukt moet worden.

3. De ‘token romance’

En als laatste is er nog één belangrijk ding dat genoemd moet worden. In tegenstelling tot een hoofdpersoon, een antagonist of zelfs een deuteragonist, staat er nergens geschreven dat je karakter een love interest móét hebben. Aan de andere drie ontsnap je niet, maar een love interest hoeft niet in het verhaal te zitten. Alhoewel het tegenwoordig standaard lijkt om ergens een romantisch subplot in te gooien, moet je niet vergeten dat het lang niet altijd even nodig is. Benoem dus alleen een van je karakters tot love interest als dat ook een doel dient in het overkoepelende verhaal. Dit hoeft geen groot doel te zijn – het is niet direct nodig om halverwege het verhaal de vrouwelijke love interest te gebruiken als damsel in distress. Het kan ook subtieler, bijvoorbeeld dat haar geliefde de chagrijnige, cynische hoofdpersoon inspireert om iets meer haar best te doen (of haar juist helemaal door te laten slaan – het hangt er maar net vanaf wat voor verhaal je wilt schrijven, natuurlijk). Maar laat het wel van belang zijn voor je karakters en het verhaal, want anders had het – zoals al wel vaker aangegeven hier op de blog – er net zo goed niet in kunnen zitten.

Volgende (en laatste) keer in de archetypen: de antagonist!

The Art of Naming: tips en bruikbare links voor het kiezen van namen voor je personages

Het heeft even geduurd, dus om het goed te maken een extra uitgebreide post!

“Call him Voldemort, Harry. Always use the proper name for things. Fear of a name increases fear of the thing itself.”
― 
J.K. RowlingHarry Potter and the Sorcerer’s Stone

Ooit een boek gelezen waar je zo graag van had willen houden, maar waar de namen zo verschrikkelijk gekozen waren dat je het liefst huilend in een hoekje wilde kruipen? Ik wel. O goden, ja, ik wel.
Het is vreemd dat iets simpels zoals een naam een (groot deel van) een boek kan verpesten. Namen hebben macht. Niet zozeer op de manier die bedoeld wordt in veel mythologieën en fantasyboeken die daardoor geïnspireerd zijn (ken iemands echte naam en je hebt een magisch soort macht over hem), maar in de zin dat namen emoties kunnen oproepen, simpelweg door klanken en associaties met verschillende culturen en tijden.
Niemand kan uiteindelijk bepalen welke namen je moet kiezen. Maar als je Keltische druïde Lodewijk heet , of je o zo geweldige hoofdpersonage in een middeleeuws-achtige wereld Akira Mochito wordt genoemd omdat ze zo speciaal is –roepnaam- en je lezers klagen over slecht gekozen namen, dan heb ik je gewaarschuwd.

Een naam past bij de tijd en plaats

Neem een gebied, land of bevolkingsgroep in jouw wereld. Wat lijkt je realistischer: namen die allemaal tot dezelfde cultuur lijken te behoren, of een ratjetoe van viking-achtige namen, een paar Arabische, een paar onuitsprekelijke zelfbedachte “fantasy”namen…
Het laatste komt helaas verbazingwekkend veel voor. De schrijver zal het wel cool hebben gevonden.
Maar als de namen niet bij elkaar passen, voelt deze cultuur een stuk minder echt aan. Al helemaal wanneer diezelfde ratjetoe van namen ook terug te vinden is in andere culturen.
Het geven van namen is een essentieel deel van hoe mensen samenleven. Denk hierbij aan klanken die worden gebruikt, maar ook aan bepaalde tradities rondom het naamgeven. Soms worden kinderen vernoemd naar eigenschappen of omstandigheden rondom hun geboorte , zoals “Septus” (zeven) voor het zevende kind, of Bán (wit) voor een blonde jongen. Soms worden ze vernoemd naar familieleden. Soms zelfs naar goden. Sommige culturen hebben bijgeloof rondom bepaalde namen. Vaak zijn er verschillende soorten namen voor verschillende lagen van de bevolking.
Als je namen lijken op middeleeuwse namen, zal de lezer die cultuur automatisch interpreteren als middeleeuws-achtig. Als je namen gebruikt als “Grote Havik” en “Dansende Stier” zal de lezer eerder denken aan een meer primitief jager-verzamelaarsvolk. Bedenk dus eerst hoe je je cultuur wilt overbrengen op de lezer, en begin dan te googlen naar passende namen. Moeilijk is dat niet: type gewoon “Ancient Celtic names” en er verschijnen een hele hoop pagina’s.
Maar pas op. “Medieval names” klinkt als een goede zoekterm, maar “de middeleeuwen” is eigenlijk een lang tijdvak met veel culturele veranderingen, helemaal niet statisch, zoals veel mensen nog steeds denken. Een “middeleeuwse” naam in Spanje is waarschijnlijk ook heel anders dan in Engeland, of het Heilige Roomse Rijk (=Duitsland), of IJsland, of, of…

Hier een aantal namensites die ik zelf gebruik. Mijn favoriet is deze prachtsite voor Germaanse namen, met een heerlijke ouderwetse feel:https://taaldacht.nl/mannelijke-namen/
Voor Keltische namen (en dan de écht oude namen, niet die met Romeinse en christelijke invloeden) een aantal sites, zoals deze:http://www.namenerds.com/scottish/gaelicguy.html handige zoektermen zijn “Gaelic names” en “Welsh names”.
En voor viking-achtige namen: http://www.behindthename.com/names/origin/old-norse

“Letitia! What a name. Halfway between a salad and a sneeze.” 
― 
Terry PratchettI Shall Wear Midnight

 

Klanken

Voor mijn bijpersonages pluk ik schaamteloos namen van namensites, passend bij de cultuur (nadat ik eerst even de betekenis hebt gecheckt, ik wil geen naam die verwijst naar een god die in mijn wereld niet bestaat, bijvoorbeeld). Maar hoofdpersonen krijgen vaak een zelf bedachte naam. Mijn speciale lieverdjes, hé.
Eerst onderzoek ik welke klanken en lettercombinaties passen in de cultuur van de hoofdpersoon. Want mijn speciale lieverdje moet niet zó speciaal worden dat hij niet eens in zijn eigen cultuur past. Een naam die past bij zijn afkomst dus. Ga je toch voor een “speciale” naam (en je zult niet de eerste schrijver zijn…), zorg er dan voor dat het een goede reden heeft in je verhaal. Dat voorkomt heel wat oogrollen van de lezer.
En dan ga ik achterover zitten in mijn stoel en grom, brabbel en piep ik hardop allerlei klanken. Dor! Rummmm! Kirrr! Rah! Perfect voor een duistere heerser. Of een dwerg. Vreemd genoeg klinken dwergennamen in fantasyverhalen altijd zo zwaar, net zo zwaar als de stenen waarmee ze werken. (Ondertussen kijken de aanwezigen in de kamer me verbaasd aan) Fielll, mi, suuuuuh. Ai? Veel i’s en e’s. Lieflijk. Ik zie een bloemenweide en een prachtige vrouw. Tssj. Fliiieer. Birili. Mikiki. Herhaling met veel i’s. Schattig en komisch. (Ondertussen vinden de aanwezigen in de kamer me een stuk minder schattig en komisch en vragen ze of het wel goed met me gaat.)
Ben je niet zo van dit spastische klankenproeven? Vooruit, er bestaan altijd nog de “name generators”. De namen die ze geven zijn niet historisch (zelfs niet de “real names”) en soms wat twijfelachtig, maar een goede inspiratiebron en soms zit er een pareltje tussen. Dus ga je gang: http://fantasynamegenerators.com/
(Dan zal ik proberen mijn persoonlijke afkeer te verbergen.)

Achternamen en bijnamen

 

Vroegâh waren achternamen sowieso meestal bijnamen. Echte achternamen bestaan pas sinds de Napoleontische tijd. Daarvoor bestonden er natuurlijk familienamen, die ook van ouder op kind werden doorgegeven, maar die vond je vooral in de hogere kringen. Schoenmakers en stalknechten, herbergiers en boeren hadden die niet. Hoe maak je dan toch onderscheid tussen Jan de bakker en Jan de hondenfokker? Simpel. Je noemt ze Jan de Bakker en Jan de Hondenfokker. Of je noemt de ene Jan en de ander Oude Jan. Of Jan, zoon van Piet. Want er is maar één Piet in het dorp.
Dit soort “achternamen” waren heel gewoon en iemand stelde zich vaak ook zo voor. Het was de naam waarmee je bekend stond in de gemeenschap. Vergis je niet, ze konden soms behoorlijk creatief zijn.
Een aantal categorieën van achter/bijnamen waaraan je kunt denken:

-Stad of streek waar het personage vandaan komt. Hadewich van Stuttgard. Lucius de Aronian (uit het Aroniaanse rijk, of zoiets). Brundur Zevensnaar van de IJzige Fjorden.

-Beroep. Sindel Schutter. Of bovengenoemde Jan de Bakker. Het kan ook wat subtieler: Appel, voor een appelteler, of Ratelaar, voor iemand die wagenwielen maakt.

-Uiterlijke kenmerken of persoonstrekjes. Aodgan Broodbreker. Wijze Kandell. Geelbaard. Kleine Vos. De Dikke.

De mogelijkheden zijn eindeloos.

“Blue. My name is Blue Sargent.”
“Blair?”
“Blue.”
“Blaize?”
Blue sighed. “Jane.”
“Oh, Jane! I thought you were saying Blue for some reason. It’s nice to meet you, Jane.”
― 
Maggie StiefvaterThe Raven Boys

 

Eh, oeps… namen met een onvoorziene (negatieve) betekenis

De naam Adolf was lange tijd na de Tweede Wereldoorlog bijzonder onpopulair. En nog steeds heeft het een bittere bijsmaak, vind je niet? Nu is “Adolf” redelijk te begrijpen, maar soms heeft die naam die je hebt bedacht een niet al te prettige betekenis in een andere taal. Of het is de naam van een beroemdheid, groot bedrijf, of iets anders wat veel mensen kennen, maar jij toevallig niet toen jij het verhaal schreef. Je wilt natuurlijk niet dat mensen jouw personage associëren met een koekjesreclame omdat een bepaald merk blijkbaar dezelfde naam draagt. Of tegelijkertijd met een gangster en een bepaald soort paraplu (echt gebeurd –ik heb de naam maar veranderd…).
Doe de Googlecheck. Even de naam intikken vertelt je al snel hoe bekend een bepaalde naam is. Het nadeel aan de Googlecheck is dat het vaak kan gebeuren dat een naam bekend lijkt, terwijl dat eigenlijk wel meevalt. Schrik niet: zelfs de meest vreemde namen krijgen veel hits. Het gaat erom dat je kijkt hoe significant dat is. Is de naam ook een of ander woord in een redelijk onbekende taal? Niet belangrijk. Een zanger die ooit één plaat heeft uitgebracht? Gewoon gebruiken die naam.
Bedenk ook dat het niet erg is als één lezer een bepaalde associatie bij een naam heeft. Toeval heb je altijd, en je kan er niets aan doen dat je personage dezelfde naam draagt als de pestkop van vroeger. Het wordt pas een probleem als het om een groter gedeelte van de lezer gaat.
Waar je de grens trekt tussen “naam houden” of “naam veranderen” bepaal jij.

 

Meer tips of inspiratie voor het geven van (fantasy) namen?
https://www.quora.com/How-do-fantasy-authors-find-names-for-their-characters-and-places

http://www.germmagazine.com/whats-in-a-name-how-authors-do-it/

http://thewritepractice.com/8-tips-for-naming-characters/

Standaard karakters: Deuteragonisten, tritagonisten en belangrijke bijpersonages

Lange titels zijn cool, maar dat terzijde.
Goed, we hebben dus een hoofdpersoon die overall prima is en waar je verder mee wilt. Maar één personage maakt nog geen verhaal, dus helaas zal er ook aan andere bijpersonages gedacht moeten worden. Verreweg de belangrijkste groep hierin zijn de deuteragonisten en de tritagonisten, respectievelijk het op één na en het op twéé na belangrijkste karakter uit een verhaal. En daar kunnen nog andere belangrijke karakters bijkomen, alhoewel ze dan geen fancy titel meer hebben. Het kunnen allerlei karakters zijn: love interests (alhoewel die nog een eigen stukje krijgen omdat ze weer aan andere eisen dienen te voldoen), sidekicks, de rest van de magische party die in de loop van het boek met de hoofdpersoon meereist om hem te steunen in zijn queeste om een heilig wapen te bemachtigen… allemaal hebben ze twee dingen gemeen: ze zijn niet de hoofdpersoon, en ze hebben wél een grote rol. En precies om die reden kan het al gauw mis gaan bij bijpersonages, omdat ze in eerste instantie niet langs dezelfde lat worden gelegd als de hoofdpersoon. Onterecht, wat bijpersonages zijn echt van belang voor je boek en kunnen heel makkelijk een verhaal breken. Wat zijn goede dingen om op te letten?

1. Geef ze daadwerkelijk een persoonlijkheid

Het lijkt vrij simpel: je hebt een verzameling aan helpers voor je hoofdpersoon. Er is een mysterieuze magiër, een stoïcijnse huurmoordenaar/ninja/*willekeurig duister beroep* en een energieke boogschutter. Ze zijn te omschrijven met alleen het bijvoeglijk naamwoord dat ik zojuist voor hun beroep heb gezet: meer eigenschappen zijn niet relevant voor het verhaal en hoeven dus ook niet voor te komen. Toch?

Helaas, zo werkt het niet. Kijk maar eens om je heen in je eigen omgeving – is er iemand die je kent die maar één eigenschap heeft? Waarschijnlijk is het antwoord nee, althans, dat hoop ik. Uiteindelijk zijn mensen allemaal complex en hebben we meerdere kanten, en alhoewel je bijpersonages niet allemaal zo complex hoeven te zijn als je hoofdpersoon, bestaan ze uit meer dan één eigenschap. Karakters zijn er weliswaar om het verhaal voort te stuwen, maar het zijn wel menselijke plot devices, en dat moet te zien zijn in hun manier van doen.

2. Maak hun wereld groter dan de hoofdpersoon
Op dezelfde manier als waarop ieder bijpersonage een persoonlijkheid verdient, hebben ze ook allemaal recht op een leven dat verder gaat dan de hoofdpersoon bijstaan. Niet dat zij nou ook direct tegen een andere slechterik moeten vechten om de wereld te redden, maar hun wereld moet wel groter zijn dan alleen de hoofdpersoon: ze moeten hun eigen subplots en/of karakterontwikkelingen doormaken, los van de dingen die de hoofdpersoon maakt. En alhoewel deze niet even groot hoeven te zijn als bij de hoofdpersoon, mogen ze niet non-existent zijn.

3. Voorkom dat hun competentie extremen aanneemt
Zoals eerder al genoemd is, is een hoofdpersoon die alles in zijn eentje op weet te lossen zonder problemen niet boeiend. Hoe verleidelijk het echter ook is, die rol op de sidekick of een van de bijpersonages afschuiven is niet per se een betere oplossing. Uiteindelijk is je hoofdpersoon wel de held van het verhaal en alhoewel we die niet perfect willen hebben, is een grote faalhaas ook maar tot op zekere hoogte leuk.

Daar tegenover staat dus ook wel weer dat bijpersonages niet bedoeld zijn om te laten zien dat je held juist wél heel goed en competent is. Laat ze dus ook niet struikelen over iedere steen die zich op hun pad bevindt terwijl de held er met een sierlijke ballet-sprong overheen springt, metaforisch gesproken. Houd er een gezonde balans in.

4. Geef ze plot-relevantie
Karakters zijn er om het plot voort te stuwen. Je kunt als schrijver nog zo gehecht raken aan een karakter dat je hebt bedacht (been there, done that), als ze niet relevant zijn voor het plot, moet je je serieus afvragen of ze er wel in moeten zitten. Ze hoeven niet een gigantische plottwist te ontketenen (informatie onthullen werkt ook prima, bijvoorbeeld), maar als het verhaal precies hetzelfde was gelopen zonder hen, dan moeten ze misschien ook niet erin zitten (geloof me, ik ken de pijn)… mocht het echter echt lastig zijn om ze er niet in te zetten, dan is een kleine herschrijving van het plot misschien het idee, of ze gebruiken in een ander verhaal.

Bijpersonages zijn leuk. Ze geven kleur aan je verhaal, en als je je best erop doet, kunnen ze echt heel veel aan je verhaal toevoegen. Dus steek er tijd in, want dat verdienen ze, en het verhaal ook.

Sneltip #1: actiescènes gaan niet om de actie

Een actiescène met alleen maar twee mensen die vechten, of alleen maar legers die elkaar in de pan hakken, dat is, hoe goed geschreven ook, saaaaaaai. Net zoals de uitgebreide choreografie die veel schrijvers toepassen om een gevecht beschrijven: “hij haalde naar haar uit met zijn zwaard, maar zij pareerde het. Ze hief haar voet op om hem in zijn buik te trappen, maar hij sprong weg en stak naar haar schouder. Maar hij had zijn evenwicht nog niet helemaal hervonden, waardoor hij miste.” Saaaaai. De truc: verweef je actie altijd met emotie. Van simpele razernij en bloeddorst tot het besef dat je kleine zusje zal worden gedood als je dit duel niet wint. Laat die dansles voor wat het is en beschrijf liever de bonkende hartslag, de adrenaline, de schrik en angst als je tegenstander je raakt. Laat de strategische infodumps zitten en focus op het psychologische effect dat de veldslag heeft op de personages, tijdens en erna. Bepaal waarom deze actiescène in je verhaal zit en richt je op dat waarom, in plaats van op het hoe ze elkaar precies in het gezicht rammen.

Dan nu veel plezier met het in elkaar meppen van je hoofdpersoon! We zijn schrijvers. Dat soort dingen vinden wij leuk.

images

Wijze lessen van schrijvers en uitgevers op Castlefest: over te dikke boeken, grote versus kleine uitgevers en pitchen bij Zilverspoor


Auteur Kim ten Tusscher op Castlefest!
 http://www.kimtentusscher.com/

Op elk festival waar de stands van Zilverspoor/Zilverbron, Celtica Publishing en andere uitgevers staan, maak ik mijn vrienden gek van ongeduld door ellenlange gesprekken te voeren met de schrijvers. En wat een paar mooie uurtjes (sorry, vrienden) zijn dat altijd! Als ik terugkom van “mijn schrijvers” en mijn vrienden uit pure verveling maar een kaartspelletje zijn gaan spelen zit ik vol met verhalen over het tot stand komen van nieuwe ideeën, worldbuilding, het leven van een schrijver en de grote stap naar het uitgeven.
En soms is er zo’n evenement dat ik wat dingen oppik die ik echt nog niet wist, of dat een auteur een opmerking maakt die me zo motiveert dat ik ter plekke nieuwe ideeën ga opschrijven op de achterkantjes van de spelkaarten van mijn vrienden. Afgelopen Castlefest was zo’n evenement. Ik heb de spelkaarten weliswaar niet beklad, maar ik deel graag de meest opvallende dingen die schrijvers en uitgevers tegen me hebben gezegd.

1. De Nederlandse fantasymarkt houdt niet van dikke pillen
Zowel bij uitgeverij Nimisa als bij Zilverspoor/Zilverbron werd me verteld dat het gewoonweg lastig is een boek met meer dan 120 000 woorden (ongeveer 500 pagina’s) te verkopen. Hoe dikker een boek, hoe duurder het is, en hoewel grote uitgeverijen het wel kunnen maken om dertig euro te rekenen voor een vertaald werk uit het Engels, gaat dat voor een nog redelijk onbekend Nederlands boek te ver. Niet alleen debutantjes hebben daar last van, hoor. Bij Zilverspoor werd me toevertrouwd dat ze weigerden een boek van Peter Schaap (nota bene dé “godfather van de Nederlandse fantasy”) weigerden uit te geven omdat het te lang was en Peter Schaap er niet in slaagde het in te korten.
Maar wees niet bang. Bij het redactieproces wordt er doorgaans enorm veel geschrapt. De kans is groot dat jouw torenhoge manuscript eindigt onder de 120 000 woorden –en daar wordt het verhaal meestal nog sterker van ook. Lukt het echt niet, dan kan het manuscript altijd nog worden gesplitst in twee delen. De kleine Nederlandse uitgevers doen daar niet moeilijk over.

2. Stuur het gewoon op!
Veel schrijvers zijn huiverig voor het opsturen van hun manuscript. Sommigen blijven eeuwig twijfelen, over het manuscript zelf, over de synopsis of begeleidende brief. Anderen vinden het een beangstigend idee dat iets dat voor hen zo persoonlijk is, straks misschien door totaal onbekenden gelezen zal worden. Het is straks niet meer alleen van jou, maar ook van je lezers! Durf je je lieve kindje wel los te laten?
Maar daar schreef je toch voor? Wat heb je te verliezen? Zelfs Kim ten Tusscher, nu heel bekend en met diverse boeken op haar naam, moest even heel diep ademhalen en zich over haar onzekerheid heen zetten. Jij kan het ook.

3. Bij de grotere uitgeverijen kom je eigenlijk niet binnen, maar bij de kleinere wel en ze zijn nog gezelliger ook.
Luitingh-Sijthoff, Boekerij, Uitgeverij Q, het zijn allemaal grote organisaties die zich vooral richten op vertaald werk. Ze zitten eigenlijk helemaal niet te wachten op Nederlandse auteurs die hun manuscript inzenden. Ja, alleen als ze daar zelf om vragen, zoals Luitingh deed met zijn manuscriptenwedstrijd. Het kleine clubje uitverkoren Nederlandse schrijvers hebben hun sporen al verdiend, zijn ooit heel klein begonnen, doorgegroeid en toen opgemerkt door één van de grote jongens. Natuurlijk zijn er altijd uitzonderingen, zoals Jeroen van Unen met De Nachtuilen die door Luitingh uit de slush pile is gevist, maar over het algemeen klopt hier het beeld van het zakelijke, onpersoonlijke bedrijf dat soms niet eens de moeite doet je manuscript te lezen.
Hoe anders is dat bij de kleinere uitgeverijen! Zilverspoor/Zilverbron, Books of Fantasy, Nimisa Publishing House, Celtica Publishing, allemaal zijn zij natuurlijk ook bedrijven, maar zij zoeken juist auteurs. Elk goed verhaal verdient een kans, is de gedachte, en Zilverbron richt zich zelfs speciaal op manuscripten die het waard zijn om uitgegeven te worden maar waarbij dat normaal gesproken nooit zou gebeuren. De sfeer is gemoedelijk en persoonlijk. De schrijvers prijzen zelfs elkaars boeken aan en maken grapjes met hun redacteuren en de lezers, terwijl van de grote uitgeverijen alleen Luitingh zich zo nu en dan op festivals vertoont. Auteurs vertelden me over hoe fijn het is om schrijver te zijn bij zo’n uitgeverij, hoe goed en grondig de begeleiding was en hoe streng maar vriendelijk de redactie.
Hoewel Castlefest al voorbij is, staan de uitgevers met hun schrijvers op nog veel meer festivals de komende tijd, groot en klein. Vooral Zilverspoor/Zilverbron kan er wat van.
En mocht je erg benieuwd zijn naar wat Zilverspoor van je ideeën vindt, kom het pitchen! Bereid een kort praatje voor van een paar minuten, vertel over je plot, je doelgroep en de andere plannen die je met het idee hebt, en ga ermee naar Cocky van Dijk. Wees niet bang, het is volledig in de sfeer van Zilverspoor: gezellig kletsen over je idee. Cocky is een schat van een vrouw, die hartelijk meelacht met je en haar oprechte enthousiasme laat merken als ze geïnteresseerd is in je verhaal.
Ja, het is doodeng, en ja, natuurlijk verwacht je dat je gaat blunderen of dat Cocky er niets in ziet. Dat dacht ik ook, maar ik heb het gedaan. En wat denk je? Ze was enthousiast en vroeg om meer.
Een aanradertje dus.

PS. Kijk mij (Imke in dit geval) eens pitchen met Cocky van Zilverspoor! Met mijn plot in haar hand! Kijk de andere schrijvers eromheen eens geïnteresseerd zijn! (Ssst, spreek me nou niet tegen, verpest het moment niet!)
Ik ben toch wel trots. En blij dat schrijver Kim ten Tusscher opeens naar mij toekwam met deze foto.

Schrijfworkshops op FantasiaFest!

Omdat ik het toevallig tegenkwam: op 30 en 31 juli wordt FantasiaFest georganiseerd in Roden. Ze hebben een aantal Nederlandse fantasyschrijvers op het programma staan om workshops te geven in het fantasyschrijven, met onder andere Patty van Delft (van de Drägan Duma-serie), Bas Kock (van Nachtval) die een worldbuildingworkshop geeft, en de “godfather van de Nederlandse fantasy”, Peter Schaap. Ook aanwezig zijn een schrijfcoach en de eigenaar van de uitgever Celtica Publishing.

Workshops en lezingen gaan onder andere over namen in fantasy (en het belang van het vermijden van de name generator), “drama en dialogen”, het gebruiken van mythes en het creëren van personages. Sounds good to me!
Het programma is hier te vinden: http://fantasiafest.nl/verhaal/

De infodump, deel twee: een checklist

medieval_desk_ii_by_two_ladies_stocks

Goed, je hebt deze informatie. De achtergrond van je personage, feiten over je wereld, een technische verhandeling of misschien wil je de lezer trakteren op een diepe en paginalange duik in de gevoelswereld van je hoofdpersoon (kleine tip voor wie het nog niet begreep, dat is meestal niet de bedoeling).
Het is gemakkelijk om teveel informatie te geven, of op het verkeerde tijdstip, of op de verkeerde manier. Maar je hebt die informatie nodig voor het plot, dus waar laat je het? Daarvoor werk ik zelf met deze infodump-checklist.

1. Zit ik niet te vroeg in het verhaal? Je wilt de lezer in het begin bij de kladden grijpen en hem het verhaal in sleuren, hem emoties laten voelen en de personages leren kennen. En wat is dodelijker voor de spanning dan veel informatie in de eerste paar hoofdstukken, of –wee de arme lezer- in de proloog?

2. Zit ik niet vlak voor of in een belangrijk moment in het verhaal, zoals een plotwending of emotioneel stuk? Of een stuk waar de aandacht van de lezer bij de gebeurtenissen moet blijven, zoals bij een gevecht? We voelen de spanning opbouwen, alles koerst onvermijdelijk af op dit ene ogenblik, de gebeurtenissen volgen elkaar op in een natuurlijke flow die steeds sneller gaat… en dan komt de schrijver het podium oplopen om het verhaal doodleuk te onderbreken voor een geschiedenisles.

3. Is het relevant voor het verhaal? Dat kan breed worden opgevat: relevant voor het plot, personageontwikkeling, maar ook relevant voor het neerzetten van de sfeer van het verhaal, verduidelijking van de plaats/wereld van het verhaal, of zelfs relevant voor het leesplezier. Als ik iets vertel dat niet echt invloed heeft op het plot zelf, maar wel bijdraagt aan de wereld, houdt ik dat altijd kort (ja, kort!), of combineer ik het met informatie die wél relevant is voor het plot, zodat het geen encyclopedie wordt. Je hoeft het misschien niet in de prullenbak te gooien, maar houd het kort, kort, korrrrt!

4. Is het niet te lang of te veel? Ik heb niet een standaard regel hiervoor, doe wat je zelf lekker vindt. Driekwart pagina, of iets dergelijks. Of op zijn hoogst vier nieuwe feiten. Wat teveel is, ligt aan het moment in het verhaal, d stijl van vertellen en hoe complex de informatie is. Een gevoelskwestie.

5. In hoeverre kan ik het verwerken in het verhaal?
Het onvermijdelijke show, don’t tell. Laat die hongersnood zien, met magere kindertjes en klitten in het haar, in plaats van erover te vertellen. De regel is niet absoluut: soms heb je hier en daar een regeltje uitleg nodig, het liefst verbonden aan een handeling van een personage.
Ben je op een punt aangekomen waar je er écht niet meer omheen kan en je er wel een uitweiding van moet maken? Kijk of je het verhaal er toch een beetje doorheen kan weven. Gebruik bijvoorbeeld het trucje van Tais Teng: verbind een gevoel aan de beschrijving, door de beschrijving op te voeren vanuit de gedachten van een personage. Meningen en gevoelens zijn natuurlijk veel interessanter dan droge feiten (want mensen houden van andere mensen).
Komt mijn personage bijvoorbeeld in een voor hem onbekende stad, dan beschrijf ik niet droogjes de architectuur maar laat ik mijn personage kijken naar de gewelfde gevels, die hem doen denken aan de Saruïsche bouwstijl, heel anders dan bij hem thuis… Hij mist de schapenhuiden die ze in zijn dorp gebruiktn om over bankjes en stoelen neer te leggen. Hier is alles hard, koud, van hetzelfde grijsgele gesteente als hij in de bergen eromheen heeft gezien. Maar kijk daar! Zijn dat niet edelstenen, gemetseld in de muur? Nu hij beter kijkt ziet hij ze overal opduiken, boven deurposten en raamkozijnen. Daar zou hij nog eens een flinke winst mee op kunnen strijken!

6. En natuurlijk: is de infodump niet te droog geworden? Zelfs al zijn het feiten, die kun je nog wel op een leuke, frisse manier brengen. Gooi een vleugje humor in de strijd, of een mooie vergelijking. Alle tekenen van emotie en menselijkheid zijn beter dan staalharde, zakelijke taal. Je bent niet de algemene voorwaarden van Apple aan het schrijven. Of de troonrede op Prinsjesdag.

Meer weten over de verschillende soorten infodumps, met heel gedetailleerde voorbeelden van hoe het niet en wel moet? Lees dit prachtige artikel: https://www.helpingwritersbecomeauthors.com/common-writing-mistakes-pt-50/
De reacties onder het artikel zijn het vaak ook waard om bekeken te worden. Ze vertellen veel over de individuele struggles van schrijvers met dit onderwerp en hun oplossingen.

Standaard karakters: de hoofdpersoon

Standaard karakters: De hoofdpersoon

Zoals misschien al opgevallen is: mijn passie binnen verhalen is karakters en karakter-ontwikkeling. Want laten we eerlijk zijn: ze zijn belangrijk voor een goed verhaal. Als je karakters nog het meest lijken op een in mensenvorm uitgesneden stuk karton, kom je uiteindelijk nog nergens. Binnen het karakter-spectrum zijn er echter buitengewoon veel rollen en mogelijke persoonlijkheden. Voor deze blog ga ik dus afwisselend een aantal van de belangrijkste karakters behandelen in verhalen behandelen: de hoofdpersoon, de sidekick, de love interest en uiteindelijk de antagonist. En vandaag beginnen we met de belangrijkste van allemaal: de hoofpersoon van het verhaal.

De hoofdpersoon als plot-device

Eén nadeel aan de belangrijkheid van een hoofdpersoon: er zijn talloze manieren om een dergelijke hoofdpersoon uit te voeren. Verreweg de meest gebruikelijke manier is om vanuit je hoofdpersoon het verhaal te vertellen en die als belangrijkste personage in het verhaal neer te zetten (de held die de vijand moet verslaan is niet ongebruikelijk), maar je hoofdpersoon kan ook prima een karakter zijn dat niet de belangrijkste rol heeft binnen het verhaal. Dan krijg je een zogenaamde Supporting Protagonist, en dat kan leuk zijn als je eens een bepaald point of view wilt verkennen. Sherlock Holmes (Watson) en The Great Gatsby (Nick) gebruiken de Supporting Protagonist, bijvoorbeeld (wat, in deze gevallen, ook opvallend goed uit de titel is af te leiden). Dan is er natuurlijk nog de optie van meerdere protagonisten die om de beurt vertellen. Hierbij moet ik wel eerlijk zeggen, het is heel makkelijk om het er toch op te laten lijken dat er één karakter de belangrijkste rol heeft, dus dit kan wat tricky zijn als dat niet je bedoeling is.

De hoofdpersoon als persoon

Ja, ik weet dat dit heel algemeen is. Ik ga hier jullie ook niet vertellen hoe je precies je hoofdpersoon in elkaar moet zetten en welke eigenschappen de held in kwestie heeft. Maar, zoals mijn helden Sandra Newman en Howard Mittelmark in hun boek ‘How NOT to write a novel’ zeggen: de beste richtlijnen voor het schrijven van een goed verhaal zijn vooral dingen die je niet moet doen, en daar geef ik ze gelijk in. Trouwens, als je ooit in Engeland bent: koop het boek in kwestie. Het is goed.

Goed, de basis van je hoofdpersoon dus. Het meest standaard is een relatief jong iemand, vaak nog onervaren. Daar is niks mis mee, maar het is bij lange niet de enige optie die er is: ervaren hoofdpersonen kunnen ook prima, en er bestaan zelfs boeken waarin een AI van een schip de hoofdpersoon is. Zolang je het goed weet te schrijven, kan je hoofdpersoon eigenlijk alles zijn. Verreweg de belangrijkste eis is dat je hoofdpersoon begrijpelijk is: de acties die hij, zij of het onderneemt moeten goed aansluiten bij zijn of haar persoonlijkheid en de omstandigheden. Hetzelfde geldt voor emoties die je karakter voelt: ondersteun ze, en laat vooral zien waardoor je hoofdpersoon zich op een bepaalde manier voelt. En, for the love of God, vermijd overpowered hoofdpersonen – zie het stukje over Mary Sues over meer daarover. Verder is het aangeraden dat als je je hoofdpersoon op jezelf wilt baseren, je daar wat voorzichtig mee moet zijn: zorg er in dat geval voor dat het niet al te erg gaat neigen naar wish fulfillment.

De hoofdpersoon in het verhaal

Daar waar de hoofdpersoon als karakter nog heel veel vrijheden heeft, zijn de eisen aan de rol van de protagonist iets strenger. Wat zijn belangrijke dingen om op te letten?

Ten eerste is het van belang dat je hoofdpersoon op een bepaalde manier relevant is voor het verhaal, tenzij zijn/haar machteloosheid onderdeel is van de thematiek van het verhaal. Een hoofdpersoon die eigenlijk alleen maar heen en weer wordt geslingerd door iedereen is niet per se heel boeiend. Dit betekent niet dat je hoofdpersoon niet een passieve persoonlijkheid mag hebben, maar voorkom dat alle problemen je hoofdpersoon maar overkomen en dat hij of zij er gedurende het gehele boek eigenlijk geen relevante rol in speelt.

Ten tweede is er een punt dat in het verlengde ligt van de info-dumps die Imke eerder heeft genoemd: we hoeven echt niet álles te weten van je hoofdpersoon. Voorkom ellenlange exposities over je karakters jeugd of iets in die trant.
Als laatste is hierboven ook al genoemd dat een hoofdpersoon begrijpelijke motieven moet hebben, en realistisch moet reageren. Deze zelfde regel geldt voor acties die je hoofdpersoon onderneemt: wat zijn de redenen erachter? Wat zijn de redenen om het op deze manier uit te voeren?

De genoemde tips zijn wat minder specifiek dan de vorige keer, al is het maar omdat hoofdpersonen maken heel complex kan zijn, en dus zijn het deze keer meer richtlijnen. Maar het zijn wel allemaal richtlijnen die je in je hoofd moet houden tijdens het schrijven. En net zoals de vorige keer: als er manieren te vinden zijn waarbij je deze richtlijnen doorbreekt en je weet het te laten werken, vooral doen. Conventies breken is tof.

Volgende keer: de sidekick.