Standaard karakters: Deuteragonisten, tritagonisten en belangrijke bijpersonages

Lange titels zijn cool, maar dat terzijde.
Goed, we hebben dus een hoofdpersoon die overall prima is en waar je verder mee wilt. Maar één personage maakt nog geen verhaal, dus helaas zal er ook aan andere bijpersonages gedacht moeten worden. Verreweg de belangrijkste groep hierin zijn de deuteragonisten en de tritagonisten, respectievelijk het op één na en het op twéé na belangrijkste karakter uit een verhaal. En daar kunnen nog andere belangrijke karakters bijkomen, alhoewel ze dan geen fancy titel meer hebben. Het kunnen allerlei karakters zijn: love interests (alhoewel die nog een eigen stukje krijgen omdat ze weer aan andere eisen dienen te voldoen), sidekicks, de rest van de magische party die in de loop van het boek met de hoofdpersoon meereist om hem te steunen in zijn queeste om een heilig wapen te bemachtigen… allemaal hebben ze twee dingen gemeen: ze zijn niet de hoofdpersoon, en ze hebben wél een grote rol. En precies om die reden kan het al gauw mis gaan bij bijpersonages, omdat ze in eerste instantie niet langs dezelfde lat worden gelegd als de hoofdpersoon. Onterecht, wat bijpersonages zijn echt van belang voor je boek en kunnen heel makkelijk een verhaal breken. Wat zijn goede dingen om op te letten?

1. Geef ze daadwerkelijk een persoonlijkheid

Het lijkt vrij simpel: je hebt een verzameling aan helpers voor je hoofdpersoon. Er is een mysterieuze magiër, een stoïcijnse huurmoordenaar/ninja/*willekeurig duister beroep* en een energieke boogschutter. Ze zijn te omschrijven met alleen het bijvoeglijk naamwoord dat ik zojuist voor hun beroep heb gezet: meer eigenschappen zijn niet relevant voor het verhaal en hoeven dus ook niet voor te komen. Toch?

Helaas, zo werkt het niet. Kijk maar eens om je heen in je eigen omgeving – is er iemand die je kent die maar één eigenschap heeft? Waarschijnlijk is het antwoord nee, althans, dat hoop ik. Uiteindelijk zijn mensen allemaal complex en hebben we meerdere kanten, en alhoewel je bijpersonages niet allemaal zo complex hoeven te zijn als je hoofdpersoon, bestaan ze uit meer dan één eigenschap. Karakters zijn er weliswaar om het verhaal voort te stuwen, maar het zijn wel menselijke plot devices, en dat moet te zien zijn in hun manier van doen.

2. Maak hun wereld groter dan de hoofdpersoon
Op dezelfde manier als waarop ieder bijpersonage een persoonlijkheid verdient, hebben ze ook allemaal recht op een leven dat verder gaat dan de hoofdpersoon bijstaan. Niet dat zij nou ook direct tegen een andere slechterik moeten vechten om de wereld te redden, maar hun wereld moet wel groter zijn dan alleen de hoofdpersoon: ze moeten hun eigen subplots en/of karakterontwikkelingen doormaken, los van de dingen die de hoofdpersoon maakt. En alhoewel deze niet even groot hoeven te zijn als bij de hoofdpersoon, mogen ze niet non-existent zijn.

3. Voorkom dat hun competentie extremen aanneemt
Zoals eerder al genoemd is, is een hoofdpersoon die alles in zijn eentje op weet te lossen zonder problemen niet boeiend. Hoe verleidelijk het echter ook is, die rol op de sidekick of een van de bijpersonages afschuiven is niet per se een betere oplossing. Uiteindelijk is je hoofdpersoon wel de held van het verhaal en alhoewel we die niet perfect willen hebben, is een grote faalhaas ook maar tot op zekere hoogte leuk.

Daar tegenover staat dus ook wel weer dat bijpersonages niet bedoeld zijn om te laten zien dat je held juist wél heel goed en competent is. Laat ze dus ook niet struikelen over iedere steen die zich op hun pad bevindt terwijl de held er met een sierlijke ballet-sprong overheen springt, metaforisch gesproken. Houd er een gezonde balans in.

4. Geef ze plot-relevantie
Karakters zijn er om het plot voort te stuwen. Je kunt als schrijver nog zo gehecht raken aan een karakter dat je hebt bedacht (been there, done that), als ze niet relevant zijn voor het plot, moet je je serieus afvragen of ze er wel in moeten zitten. Ze hoeven niet een gigantische plottwist te ontketenen (informatie onthullen werkt ook prima, bijvoorbeeld), maar als het verhaal precies hetzelfde was gelopen zonder hen, dan moeten ze misschien ook niet erin zitten (geloof me, ik ken de pijn)… mocht het echter echt lastig zijn om ze er niet in te zetten, dan is een kleine herschrijving van het plot misschien het idee, of ze gebruiken in een ander verhaal.

Bijpersonages zijn leuk. Ze geven kleur aan je verhaal, en als je je best erop doet, kunnen ze echt heel veel aan je verhaal toevoegen. Dus steek er tijd in, want dat verdienen ze, en het verhaal ook.

Advertenties

Sneltip #1: actiescènes gaan niet om de actie

Een actiescène met alleen maar twee mensen die vechten, of alleen maar legers die elkaar in de pan hakken, dat is, hoe goed geschreven ook, saaaaaaai. Net zoals de uitgebreide choreografie die veel schrijvers toepassen om een gevecht beschrijven: “hij haalde naar haar uit met zijn zwaard, maar zij pareerde het. Ze hief haar voet op om hem in zijn buik te trappen, maar hij sprong weg en stak naar haar schouder. Maar hij had zijn evenwicht nog niet helemaal hervonden, waardoor hij miste.” Saaaaai. De truc: verweef je actie altijd met emotie. Van simpele razernij en bloeddorst tot het besef dat je kleine zusje zal worden gedood als je dit duel niet wint. Laat die dansles voor wat het is en beschrijf liever de bonkende hartslag, de adrenaline, de schrik en angst als je tegenstander je raakt. Laat de strategische infodumps zitten en focus op het psychologische effect dat de veldslag heeft op de personages, tijdens en erna. Bepaal waarom deze actiescène in je verhaal zit en richt je op dat waarom, in plaats van op het hoe ze elkaar precies in het gezicht rammen.

Dan nu veel plezier met het in elkaar meppen van je hoofdpersoon! We zijn schrijvers. Dat soort dingen vinden wij leuk.

images

Wijze lessen van schrijvers en uitgevers op Castlefest: over te dikke boeken, grote versus kleine uitgevers en pitchen bij Zilverspoor


Auteur Kim ten Tusscher op Castlefest!
 http://www.kimtentusscher.com/

Op elk festival waar de stands van Zilverspoor/Zilverbron, Celtica Publishing en andere uitgevers staan, maak ik mijn vrienden gek van ongeduld door ellenlange gesprekken te voeren met de schrijvers. En wat een paar mooie uurtjes (sorry, vrienden) zijn dat altijd! Als ik terugkom van “mijn schrijvers” en mijn vrienden uit pure verveling maar een kaartspelletje zijn gaan spelen zit ik vol met verhalen over het tot stand komen van nieuwe ideeën, worldbuilding, het leven van een schrijver en de grote stap naar het uitgeven.
En soms is er zo’n evenement dat ik wat dingen oppik die ik echt nog niet wist, of dat een auteur een opmerking maakt die me zo motiveert dat ik ter plekke nieuwe ideeën ga opschrijven op de achterkantjes van de spelkaarten van mijn vrienden. Afgelopen Castlefest was zo’n evenement. Ik heb de spelkaarten weliswaar niet beklad, maar ik deel graag de meest opvallende dingen die schrijvers en uitgevers tegen me hebben gezegd.

1. De Nederlandse fantasymarkt houdt niet van dikke pillen
Zowel bij uitgeverij Nimisa als bij Zilverspoor/Zilverbron werd me verteld dat het gewoonweg lastig is een boek met meer dan 120 000 woorden (ongeveer 500 pagina’s) te verkopen. Hoe dikker een boek, hoe duurder het is, en hoewel grote uitgeverijen het wel kunnen maken om dertig euro te rekenen voor een vertaald werk uit het Engels, gaat dat voor een nog redelijk onbekend Nederlands boek te ver. Niet alleen debutantjes hebben daar last van, hoor. Bij Zilverspoor werd me toevertrouwd dat ze weigerden een boek van Peter Schaap (nota bene dé “godfather van de Nederlandse fantasy”) weigerden uit te geven omdat het te lang was en Peter Schaap er niet in slaagde het in te korten.
Maar wees niet bang. Bij het redactieproces wordt er doorgaans enorm veel geschrapt. De kans is groot dat jouw torenhoge manuscript eindigt onder de 120 000 woorden –en daar wordt het verhaal meestal nog sterker van ook. Lukt het echt niet, dan kan het manuscript altijd nog worden gesplitst in twee delen. De kleine Nederlandse uitgevers doen daar niet moeilijk over.

2. Stuur het gewoon op!
Veel schrijvers zijn huiverig voor het opsturen van hun manuscript. Sommigen blijven eeuwig twijfelen, over het manuscript zelf, over de synopsis of begeleidende brief. Anderen vinden het een beangstigend idee dat iets dat voor hen zo persoonlijk is, straks misschien door totaal onbekenden gelezen zal worden. Het is straks niet meer alleen van jou, maar ook van je lezers! Durf je je lieve kindje wel los te laten?
Maar daar schreef je toch voor? Wat heb je te verliezen? Zelfs Kim ten Tusscher, nu heel bekend en met diverse boeken op haar naam, moest even heel diep ademhalen en zich over haar onzekerheid heen zetten. Jij kan het ook.

3. Bij de grotere uitgeverijen kom je eigenlijk niet binnen, maar bij de kleinere wel en ze zijn nog gezelliger ook.
Luitingh-Sijthoff, Boekerij, Uitgeverij Q, het zijn allemaal grote organisaties die zich vooral richten op vertaald werk. Ze zitten eigenlijk helemaal niet te wachten op Nederlandse auteurs die hun manuscript inzenden. Ja, alleen als ze daar zelf om vragen, zoals Luitingh deed met zijn manuscriptenwedstrijd. Het kleine clubje uitverkoren Nederlandse schrijvers hebben hun sporen al verdiend, zijn ooit heel klein begonnen, doorgegroeid en toen opgemerkt door één van de grote jongens. Natuurlijk zijn er altijd uitzonderingen, zoals Jeroen van Unen met De Nachtuilen die door Luitingh uit de slush pile is gevist, maar over het algemeen klopt hier het beeld van het zakelijke, onpersoonlijke bedrijf dat soms niet eens de moeite doet je manuscript te lezen.
Hoe anders is dat bij de kleinere uitgeverijen! Zilverspoor/Zilverbron, Books of Fantasy, Nimisa Publishing House, Celtica Publishing, allemaal zijn zij natuurlijk ook bedrijven, maar zij zoeken juist auteurs. Elk goed verhaal verdient een kans, is de gedachte, en Zilverbron richt zich zelfs speciaal op manuscripten die het waard zijn om uitgegeven te worden maar waarbij dat normaal gesproken nooit zou gebeuren. De sfeer is gemoedelijk en persoonlijk. De schrijvers prijzen zelfs elkaars boeken aan en maken grapjes met hun redacteuren en de lezers, terwijl van de grote uitgeverijen alleen Luitingh zich zo nu en dan op festivals vertoont. Auteurs vertelden me over hoe fijn het is om schrijver te zijn bij zo’n uitgeverij, hoe goed en grondig de begeleiding was en hoe streng maar vriendelijk de redactie.
Hoewel Castlefest al voorbij is, staan de uitgevers met hun schrijvers op nog veel meer festivals de komende tijd, groot en klein. Vooral Zilverspoor/Zilverbron kan er wat van.
En mocht je erg benieuwd zijn naar wat Zilverspoor van je ideeën vindt, kom het pitchen! Bereid een kort praatje voor van een paar minuten, vertel over je plot, je doelgroep en de andere plannen die je met het idee hebt, en ga ermee naar Cocky van Dijk. Wees niet bang, het is volledig in de sfeer van Zilverspoor: gezellig kletsen over je idee. Cocky is een schat van een vrouw, die hartelijk meelacht met je en haar oprechte enthousiasme laat merken als ze geïnteresseerd is in je verhaal.
Ja, het is doodeng, en ja, natuurlijk verwacht je dat je gaat blunderen of dat Cocky er niets in ziet. Dat dacht ik ook, maar ik heb het gedaan. En wat denk je? Ze was enthousiast en vroeg om meer.
Een aanradertje dus.

PS. Kijk mij (Imke in dit geval) eens pitchen met Cocky van Zilverspoor! Met mijn plot in haar hand! Kijk de andere schrijvers eromheen eens geïnteresseerd zijn! (Ssst, spreek me nou niet tegen, verpest het moment niet!)
Ik ben toch wel trots. En blij dat schrijver Kim ten Tusscher opeens naar mij toekwam met deze foto.